Een deskundigenoordeel kan uitkomst bieden wanneer er tijdens de re-integratie onenigheid ontstaat tussen werkgever en werknemer over bijvoorbeeld de belastbaarheid of de re-integratiemogelijkheden. Als de partijen er samen niet uitkomen, kan een deskundigenoordeel van het UWV duidelijkheid bieden over wat redelijk is. Maar welk oordeel weegt het zwaarst wanneer het deskundigenoordeel van het UWV haaks staat op het oordeel van de bedrijfsarts?
CFO meldt zich ziek na reddingsplan
De werknemer is sinds januari 1998 in dienst bij Fair Play Casino's. Dit bedrijf houdt zich bezig met de exploitatie van casino's (speelhallen) door heel Nederland. De medewerker werkt daar als Chief Financial Officer (CFO).
Op 13 maart 2024 kondigt de ING een kredietverlaging aan voor Fair Play Casino's. Naar aanleiding van deze mededeling gaat de werknemer samen met de Chief Executive Officer (CEO) van het bedrijf aan de slag om het bedrijf te redden van een ondergang. Samen schrijven ze een plan om Fair Play Casino's financieel gezond te houden. Kort daarna meldt de CFO zich ziek en bezoekt hij de bedrijfsarts.
De bedrijfsarts oordeelt dat de werknemer arbeidsongeschikt is. Hij mag passende arbeid uitvoeren, maar zonder grote eindverantwoordelijkheid of leidinggevende aspecten. Daarnaast mag het contact met de CEO niet confronterend zijn of leiden tot conflict.
Werkgever legt loonstop op
In de tussentijd is er een reorganisatie gestart, als onderdeel van het reddingsplan. In totaal zijn 5 van de 22 vestigingen van Fair Play Casino's gesloten en heeft er een collectief ontslag plaatsgevonden. De CEO blijft de zieke werknemer bestoken met vragen, onder andere over de kredietverlaging van ING. Die laatste geeft aan dat hij niet in staat is om inhoudelijk te reageren. Als reactie legt de werkgever een loonstop op.
Werknemer vraagt deskundigenoordeel aan
Daarop vraagt de zieke werknemer op 8 mei 2024 een deskundigenoordeel aan bij het UWV. De medewerker wil weten of hij vanwege zijn gezondheid in staat is om te reageren op de werkinhoudelijke vragen van Fair Play Casino's. Op 5 juni 2024 oordeelt het UWV dat de medewerker hiertoe niet in staat is, omdat het contact met de werkgever zijn herstel te veel zou belemmeren.
Naar aanleiding van dit oordeel heft de werkgever de eerder opgelegde loonstop op. Op 25 juni 2024 betaalt Fair Play Casino's het achterstallige loon van mei 2024 uit aan de medewerker.
Ander oordeel van nieuwe bedrijfsarts
Begin juli 2024 heeft de werknemer een afspraak met een nieuwe bedrijfsarts. In tegenstelling tot de eerste bedrijfsarts, oordeelt deze arts dat de ziekte van de medewerker niet van medische aard is. Daarom ziet de nieuwe bedrijfsarts geen belemmering voor een gesprek met de werkgever. Op basis van dit advies nodigt Fair Play Casino's de werknemer uit voor een gesprek op een neutrale locatie.
De werknemer wil het gesprek aangaan, op voorwaarde dat een onafhankelijk persoon het gesprek namens hem aangaat. Vervolgens legt de medewerker een aantal vragen aan de bedrijfsarts voor. Om vast te stellen of er sprake is van bemiddeling, moet volgens de bedrijfsarts eerst worden nagegaan of er daadwerkelijk sprake is van een meningsverschil. Hiervoor is een gesprek tussen beide partijen noodzakelijk.
De bedrijfsarts stelt vast dat de werkgever bereid is om met de medewerker in gesprek te gaan en samen naar een oplossing te zoeken. Daarom is er op dit moment nog geen behoefte aan een onafhankelijke bemiddelaar. Na het consult met de bedrijfsarts waarschuwt de werkgever voor arbeidsrechtelijke maatregelen als de werknemer niet ingaat op de uitnodiging.
Tweede loonstop, tweede deskundigenoordeel
Uiteindelijk komt het niet tot een gezamenlijk gesprek en gaat de werkgever over tot een nieuwe loonstop. Als reactie vraagt de werknemer opnieuw een deskundigenoordeel aan bij het UWV. Het uitvoeringsinstituut oordeelt dat de medewerker momenteel niet in staat is om te re-integreren. Hij kan niet persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een ernstige medische stoornis.
Op basis van dit oordeel verzoekt de werknemer Fair Play Casino's om zijn achterstallige loon uit te betalen. Maar de werkgever houdt zijn poot stijf, waarna het conflict voor de rechter komt.
Rechter: recht op doorbetaling loon
De rechter moet bepalen welk oordeel het zwaarst weegt: dat van het UWV of dat van de tweede bedrijfsarts. De rechter stelt vast dat aan het deskundigenoordeel van het UWV geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. Dat wil echter niet zeggen dat partijen dit deskundigenoordeel zomaar van tafel kunnen schuiven, aldus de rechter. Het oordeel heeft zeker waarde wanneer dit niet overeenstemt met het oordeel van de bedrijfsarts.
Bovendien blijkt uit de adviezen van de (tweede) bedrijfsarts niet dat deze arts medische informatie heeft ingewonnen bij de behandelende arts(en) van de werknemer. Ook lijkt deze bedrijfsarts van oordeel te zijn dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid op medische gronden. De eerste bedrijfsarts en de verzekeringsarts van het UWV ondersteunen dit oordeel niet. Die stelden tenslotte beiden vast dat bij de werknemer sprake was van een medisch objectiveerbare ziekte.
Op basis van het voorgaande kent de rechter meer waarde toe aan het deskundigenoordeel. Daarom concludeert hij dat de werknemer recht heeft op doorbetaling van zijn loon. De laatste loonstop was dus niet gerechtvaardigd.
Bron: Rechtbank Limburg, 9 december 2024 – ECLI:NL:RBLIM:2024:9125
Dit artikel verscheen eerder op PWnet










