Dit weet je na het lezen:
- Cosun koppelt verduurzaming altijd aan financieel rendement.
- Het bedrijf streeft naar 45% CO₂-reductie in 2030 en net zero in 2050.
- En dat in een sector waarin de marges onder druk staan.
- Het V‑RISE-project moet het energieverbruik in Vierverlaten via grootschalige elektrificatie ongeveer halveren.
- Het bedrijf kiest bewust voor bewezen technologie, maar opschaling en ombouw van fabrieken blijven risicovol.
- Seizoensproductie en beperkte draaitijd maken investeringen complex en moeilijker rendabel.
- Strenge selectie van projecten voorkomt investeringen in niet-rendabele of technisch onrijpe oplossingen.
- Elektrificatie is cruciaal, maar wordt bemoeilijkt door netcongestie, hoge stroomprijzen en onzeker overheidsbeleid.
“Verduurzamen is voor ons geen hobbyproject; het moet altijd hand in hand gaan met geld verdienen”, zegt Hans Schuil, CFO van Cosun Beet Company. “Anders houd je het simpelweg niet vol. Die nuchterheid typeert hoe wij naar de energietransitie kijken.” Het bedrijf, onderdeel van de coöperatie Royal Cosun, verwerkt suikerbieten en probeert al decennia om de volledige plant te benutten. “Efficiënt omgaan met energie is daarom geen nieuw thema”, zegt Schuil. “Sinds 1990 hebben we ons energieverbruik met ongeveer 50% teruggebracht. Kortom, we zijn niet pas sinds gisteren bezig.”
Druk neemt toe
Wat wel nieuw is: de druk waaronder die verduurzaming nu plaatsvindt. Klimaatdoelen zijn aangescherpt, de CSRD verplicht tot transparantie en investeringen moeten sneller dan ooit renderen. In de zogenoemde Unlock 30‑strategie van het bedrijf staat duurzaamheid inmiddels naast groei en rendement als strategische pijler. “We hebben ons gecommitteerd aan het 'science based targets initiative’”, zegt Schuil. “Dat betekent harde doelstellingen: 45% CO2-reductie in 2030 en net zero in 2050. Daar lopen we niet voor weg.”
Die doelen zijn ambitieus. Misschien zelfs ongemakkelijk ambitieus in een sector die kampt met volatiele prijzen en lage marges. “Onze 2030‑doelstelling is spannend”, zegt Schuil onomwonden. “We praten over investeringen van honderden miljoenen euro’s. Terwijl ons verdienvermogen onder druk staat door lage suikerprijzen.”
Ook zelf enorm investeren
Het hart van die ambitie vormt het V‑RISE‑project in Vierverlaten, het grootste project dat Cosun in 125 jaar oppakte. Hier wil het bedrijf het energieverbruik op één locatie ongeveer halveren. Door verregaande elektrificatie en verdere energie‑efficiëntie. De overheid helpt mee via een ‘maatwerkafspraak’, een subsidie van maximaal € 73 miljoen. “Zo’n maatwerkafspraak betekent vooral ook dat wij zelf ook enorm moeten investeren”, zegt Schuil. “De subsidie maakt het haalbaar, maar neemt het risico niet weg.”

De energietransitie is voor Cosun extra ingewikkeld omdat het productieproces fundamenteel anders is dan bij veel andere industriële fabrikanten. “Onze fabrieken draaien niet het hele jaar”, zegt Bas Nijssen, Energy Transition Manager. “We verwerken suikerbieten in campagnes. Dat betekent dat we grofweg de helft van het jaar draaien, waarvan vijf maanden op volle capaciteit.”
Die seizoensgebondenheid maakt investeringen lastiger. Nijssen: “Installaties staan niet continu aan, terwijl je ze wel moet terugverdienen. Ook organisatorisch wringt het. Grote verduurzamingsprojecten moeten we laten plaatsvinden tijdens onderhoudsperiodes. Maar dat zet de organisatie onder druk. Mensen moeten productie, onderhoud en grote projecten tegelijk dragen. Dat is steeds lastiger.”
Bewezen technologie
Cosun is vooruitstrevend, maar trekt tegelijk harde grenzen. “We zijn een coöperatie”, zegt Nijssen. “Geen investeerder met een hoge risicobereidheid. Daarom gaan we in de energietransitie voor bewezen technologie.” Het V‑RISE‑project gebruikt bekende technieken als mechanische damprecompressie, maar dan op een schaal die niet eerder is toegepast. “Dat een technologie bewezen is, betekent niet dat deze zonder risico is”, constateert Schuil dan ook. “We bouwen een draaiende fabriek om. Dat is complex. Daarom doen we dit eerst op één locatie. Pas als het werkt, kijken we verder.”
Funnel voor mogelijke projecten
Om grip te houden op alle ideeën en verleidingen voor de energietransitie, werkt Cosun met een projectsystematiek. “Alles begint met een ‘funnel’”, zegt Nijssen. “Dat is een trechter waarin ideeën stapsgewijs worden beoordeeld. Veel ideeën vallen al vroeg af, omdat ze technisch nog niet rijp zijn of simpelweg niet rendabel zijn.” De funnel dwingt tot discipline. “We kunnen verliefd worden op technologie”, zegt Schuil. “Er zijn altijd mooie ideeën en leveranciers met beloftes. Maar we moeten streng zijn. Stoppen als iets niet werkt, hoort daar ook bij.”
Cosun beschikt over energiemodellen per fabriek. “Dat is geen spreadsheetoefening, maar een onmisbaar stuk gereedschap”, zegt Nijssen. Via deze modellen houdt Cosun overzicht over het energieverbruik van de hele fabriek. Als je op één plek iets verbetert, kan dat elders juist slechter uitpakken. Dat kun je dan zien. Op die manier rekenen we ideeën uit de funnel door en zien we wat
het effect is op het totale energiesysteem.”

Het bedrijf brak in de loop der jaren verschillende technologische routes bewust af of zette deze in de koelkast. Schuil: “Dat gebeurt zodra blijkt dat een oplossing wel theoretisch aantrekkelijk is, maar in de praktijk te complex is, onvoldoende betrouwbaar blijkt of simpelweg niet rendabel is op industriële schaal. Je kunt eindeloos blijven sleutelen om iets werkend te krijgen. Maar onze mensen en middelen zijn schaars. Dan moet je ook durven zeggen: hier gaan we niet verder mee. Soms verdwijnen ideeën definitief uit de funnel. Soms worden ze geparkeerd totdat de randvoorwaarden veranderen, bijvoorbeeld doordat de techniek zich verder ontwikkelt, subsidies wijzigen of energieprijzen veranderen.”
Inzet van e-boilers
Een concreet voorbeeld is de inzet van e‑boilers en extra vergistingscapaciteit. Cosun verkende deze opties nadrukkelijk, maar zette ze niet overal door. Nijssen: “E‑boilers blijken sterk afhankelijk van netcapaciteit en elektriciteitsprijzen en zijn daardoor slechts op enkele locaties interessant. Ook uitbreiding van vergisting op locaties om biogas te maken is geen automatisme: technisch mogelijk betekent niet dat het in iedere fabriek rendabel of logisch is.”
Elektrificatie geldt binnen Cosun als belangrijke route om van gas af te komen. Maar ook hier is de realiteit weerbarstig. “Elektrificatie vraagt goedkope, beschikbare stroom”, zegt Schuil. “En daar hebben we in Nederland een serieus probleem.” Netcongestie, hoge netwerkkosten en onzeker beleid maken de businesscase kwetsbaar. “We moeten concurrerend blijven ten opzichte van fabrieken in het buitenland. Als stroom hier structureel duurder is, wordt dat een probleem. Dan helpt ambitie alleen niet.”
Lastig investeren
Alsof techniek en financiën nog niet ingewikkeld genoeg zijn, zorgt ook beleid voor onrust. “Wat ons echt zou helpen, is stabiel beleid”, zegt Nijssen. “Als CO2‑prijzen worden aangepast of regels veranderen, wordt het lastig investeren over een periode van twintig of dertig jaar.” Schuil is daar nog stelliger over. “Wij investeren om onze uitstoot te verlagen. Als concurrenten dat niet doen en vervolgens worden geholpen door beleidswijzigingen, is er geen sprake meer van een gelijk speelveld. Dat maakt beslissingen in duurzaamheidsmaatregelen ingewikkelder.”
Hoe werken Schuil en Nijssen samen om de energietransitie mogelijk te maken? Nijssen: “Finance houdt mij scherp op aannames en onderbouwing. Ik houd finance scherp om naar de lange termijn te kijken en naar strategische waarde.” Schuil beaamt dat. “Uiteindelijk gaat het om gezamenlijke keuzes. Operations, finance, commercie, directie… De juiste betrokkenen zitten bij ons aan tafel. En als we investeren, staan we er allemaal achter.”
Of Cosun zijn doelen haalt, durft niemand met zekerheid te zeggen. “De route naar 2050 verloopt niet in een rechte lijn”, zegt Schuil. “Het is een bochtig pad. Soms slaan we een doodlopende weg in en moeten we terug.” Maar de richting staat volgens Nijssen al wel vast. “We wachten niet op een magische technologie. De oplossingen zijn er grotendeels. De vraag is of infrastructuur en beleid op tijd meebewegen.”








